Toezicht op de toezichthouder

Vertrouwen

Nederland kent tientallen toezichthouders die erop gericht zijn dat we ons aan de regels houden. Een serieus legioen ambtenaren houdt zich dagelijks bezig met het controleren van bedrijven. En dat moet allemaal worden betaald. De rekening is grotendeels voor ondernemers.

Het fundament onder al dat toezicht is wantrouwen. Een gebrek aan vertrouwen in naleving van regels door ondernemers dus. En een miskenning van het zelfregulerend vermogen van markten. Direct gevolg van dat uitgangspunt is dat er zo veel mogelijk –zichtbare- controle moet zijn. De overheid organiseert daarmee haar eigen behoefte aan toezichthouders en de bijbehorende kosten.

Het credo ‘wie betaalt, bepaalt’, gaat voor toezicht logischerwijs niet op. Toezichthouders moeten onafhankelijk zijn en daarom houdt de overheid zich afzijdig. Maar wie voorkomt dat de kosten de baten overstijgen? Wie houdt er toezicht op de toezichthouder?

Eigenlijk niemand. Ondernemers kunnen een klachtenprocedure starten bij de toezichthouder zelf of naar de rechter stappen, maar van algemene controle is- afgezien van wat vage ministeriële verantwoordelijkheden- geen sprake. En dat is vreemd.

Want tegenover het wantrouwen in ondernemers dat de basis vormt voor ons dure toezicht, staat een kennelijk grenzeloos vertrouwen in de toezichthouders. De vraag is of dat terecht is en of de kosten van deze visie wel voor rekening van ondernemers moeten komen.

Ondernemers worden nu als onbezonnen kleuters constant bedreigd met straf voor mogelijk ‘stout’ gedrag. Een arbeidsintensieve en dus dure manier van ‘opvoeden’. Zou vertrouwen het uitgangspunt zijn, dan zouden ondernemers volwassen worden behandeld, waarbij eigen verantwoordelijkheid centraal staat. Met dat vertrouwen als uitgangspunt, neemt de noodzaak aan zichtbare controles af. De kosten dalen recht evenredig mee. Wordt het vooraf gestelde vertrouwen onverhoopt toch geschonden, dan kan de straf hoger zijn dan nu.
Belangrijk voordeel van een vertrouwenssysteem is bovendien dat de markt zelf weer ruimte krijgt om zich door middel van eigen standaarden te organiseren. De rotte appels waar het wantrouwen op is gebaseerd, is de rest namelijk ook een doorn in het oog.

Groot wantrouwen in alle ondernemers gecombineerd met grenzeloos vertrouwen in onafhankelijke toezichthouders is onnodig duur en onredelijk. Er zijn dus twee opties: of we gaan ook de toezichthouder wantrouwen, maar wie houdt er dan toezicht op de toezichthouder van de toezichthouder? Of we behandelen ondernemers niet als stoute kleuters. Laat de toezichthouders in overleg met de markt een vertrouwenssysteem ontwikkelen, dat levert aan de batenkant meer resultaat en aan de kostenkant meer draagvlak op.

Gepubliceerd in het Financieele Dagblad, 30 januari 2013